Hupsa, hatseflats, gaan met die banaan. Ik neem haar mee op sleeptouw! Het zweet breekt me uit. Ik kan niet meer, schreeuw ik hijgend. Lig ik te bevallen? Nou zo voelt het wel. Maar dit keer schreeuw ik naar mijn dochter omdat ze vijf meter verderop fietst, niet omdat ze m’n buik niet uit wil. We zijn aan het hardlopen. En ik doe dat dus samen met mijn dochter – die fietst – omdat ik anders niet van de bank af te branden ben. 

Hartstikke gezellig joh. Ze kan een uur tegen me aanlullen (nou ja, een half uur) terwijl het lijkt alsof ik heel aandachtig luister. Ben ik weer even op de hoogte wie er een glow-in-the-darkspinner heeft en welke kleuter de slakkenrace dit keer won. Maar laatst deed ik een bijzondere ontdekking.

Niet zeiken

Iedere keer als ik met mijn dochter van huis vertrok, begon ik vol goede moed te rennen. Kwiek en fit rende ik voor haar uit. Halverwege begon dan het gesteun en gekreun. Van haar hè. “Mam, ik kan niet meer. Mijn benen zijn zo moe. Ik heb het zo koud. Kunnen we niet even uitrusten. Echt, je moet me een stukje duwen.” En weet je welk effect het op me had? Ik ging harder rennen. Bij mij wekte het een soort oerdrift in me op. ‘Niet zeiken, doorlopen. Kom op, je kunt het heus wel’. Dat zei ik niet natuurlijk. Maar ik dacht het wel. Al mijn positieve aanmoedigingen hadden geen effect op haar. Maar op mij. Ik ging er beter van lopen. Ik kon de voortrekkersrol pakken. Hupsa, hatseflats, hatsee, gaan met die banaan.

Moedig me aan

Ineens dacht ik: als ik de rollen nou eens omdraai. Als ík nu eens ga steunen en kreunen. Ik zei dingen als ‘echt, ik kan niet meer. Misschien moet je me even aanmoedigen, anders kom ik niet meer thuis.’ En… warempel. Daar ging mevrouw. Voorop. Ik zag haar denken ‘hupsa, hatseflats, hatsee, gaan met die banaan’. Ze ging er beter van fietsen. Ze kon de voortrekkersrol pakken.

Look-a-like

Dat half uurtje rennen met haar heeft me zoveel geleerd. Ik vroeg me al een tijdje af waarom ze soms niet vooruit te branden was. Nu weet ik dat ze gewoon heel erg op mij lijkt. We houden ervan om voorop te lopen. Een ander op sleeptouw te nemen. Als we dat niet kunnen, dan gaan we achterover leunen. Dat deed me denken aan de roos van Leary, die ik in trainingen vaak gebruik. Die is dus (blijkbaar) ook heel goed op kinderen toe te passen is. In het (heel) kort: ‘bovengedrag lokt ondergedrag uit en andersom.’ Een volgende keer dat ik een karaktertrek denk te kunnen duiden, denk ik wel even drie keer na of ik het niet zelf uitlok.

Joanneke Wiersma
Schrijft | Communiceert | Moeder van drie | Houdt van haar hottub | Wordt blij van mooie gesprekken | www.zin-communicatie.nl

Nee, we gaan je niet spammen. Echt niet. Als je jouw e-mail achterlaat krijg je de tofste updates als eerste toegestuurd. Beloofd! Wil jij ze ontvangen? :-)

Het is gelukt! Check nog wel even je spambox. Dikke kans dat je daar de bevestiging vindt. Nog wel even lezen voordat je hem wist. ;-)